Column: ontwerpvaardigheden

Tussen de bouwtekeningen en vol geschetste stukken schetsrol ligt momenteel het boek Moderne Architektur van de Oostenrijkse architect Otto Wagner op mijn bureau. Het is interessant om een belangrijke omslag in de architectuur eens te bestuderen vanuit één van de hoofdpersonen zelf. Wagner vormt daarin een belangrijke brug tussen de oude architectuurpraktijk en de ‘moderne’ architectuurpraktijk. Het eerste ging uit van architectuur op basis van klassieke voorbeelden uit het verleden, terwijl de laatste deze beginselen verliet ten gunste van nieuwe technieken en vanuit daar ook nieuwe vormen. Opmerkelijk zijn ook vooral de zaken die onveranderd blijken. Zo is het werken met voorbeelden (referenties) nog steeds een gangbare praktijk. En nog interessanter is dat architecten tegen vergelijkbare problemen aanliepen als vandaag de dag. Blijkt de architect toch nog steeds hetzelfde werk te doen. Een ware relativering voor de zoveelste oproep tot innovatie of revolutie.

Met interesse heb ik het artikel ‘Visie?, Een filosofische analyse van de bachelor bouwkunde’ gelezen. Als ik het stuk goed begrijp zitten de auteurs verlegen om meer praktijkoefening. Er zijn immers veel vakken in zaken als ‘absolute kennis’ of de ‘metafysica’ van het ontwerpvak en relatief weinig energie zit in het verfijnen van de ontwerpkwaliteiten. Het is volgens mij een terugkerend thema over te weinig praktijk in de opleiding en teveel nadruk op theoretische achtergronden. Een nadruk die met het verminderen van de geldstromen voor het onderwijs en de invoer van de bachelor-masterstructuur alleen maar scherper is komen te liggen. Zowel het feit van minder geld voor onderwijs als de bachelor-masterstructuur dwingen tot scherpere keuzes in het onderwijsaanbod. Iets waarvan de invoer van de beroepservaringsperiode ook een voorbeeld is. Er moeten dus keuzes worden gemaakt.

De vraag die de 3 bachelor-studenten aanroeren is dus of een dergelijke scherpe keuze voor een meer wetenschappelijke benadering niet ten koste gaat van essentiële ontwerpvaardigheden? Ik denk van niet. Daarbij gelijk gezegd dat je als ontwerper niet vaak genoeg in de praktijk kan oefenen. Maar als je als opleiding scherpe keuzes moet maken in het onderwijsaanbod is het beter om te kiezen voor een meer wetenschappelijke en filosofische benadering dan voor een puur praktijkgerichte benadering. Het is sowieso de vraag of in een academische omgeving het ontwerpen in al zijn grilligheid goed tot zijn recht komt. Denk daarbij aan financiële en juridische aspecten, maar vooral het onvoorspelbare gedrag van opdrachtgevers. In het echt pakken deze aspecten anders uit dan in een kunstmatige omgeving met grote gevolgen voor het ontwerp. Wat wel kan is andere ontwerpaspecten aanscherpen en daar bovenop een analytisch vermogen en een breed denkkader. Eigenschappen die je wel in de praktijk kunt gebruiken, maar die je je in een praktijkomgeving minder snel eigen kunt maken. Laat staan bestuderen of verder uitwerken.

Natuurlijk gaat een dergelijke keuze gepaard met minder nadruk op het ontwerpen zelf. De vraag is of dat erg is. Als het goed is heb je voldoende vaardigheden opgedaan om jezelf triviale en eenvoudige praktijkmores eigen te maken zoals het bouwbesluit, bouwvolgorde en aannemerstaal. Of het oplossen van bouwfouten. Voor De Grote Onderwerpen is er een stuk minder tijd. Bovendien schaaft een wetenschappelijke benadering het autonome denken bij. En in een wereld waarin men elkaar napraat is kritisch denkvermogen geen overbodige luxe.

Maar waar leren we de ontwerpvaardigheden? Simpelweg door heel veel te doen. Op de universiteit, maar ook daarbuiten en daarna. Daarin kun je nooit genoeg ervaring opdoen. Wagner wist in 1895 al op te schrijven dat een architect zich moet voorbereiden op een levenslang leren en aanscherpen van diens vaardigheden. Maar nog belangrijker dan dat vind ik de moeilijkheden, ontberingen en ontnuchteringen die hij beschrijft als het pad van doornen waarover de ontwikkeling van een architect zich doorgaans begeeft. Een levensles die ik al vroeg op de opleiding ter harte zou nemen. Interessant is dat Wagner theorie en praktijk nauw met elkaar verweeft. Iets dat in het premoderne tijdperk wel vaker gangbaar was. Wellicht tijd om deze boeken weer eens af te stoffen?

Dit artikel is gepubliceerd in de Chepos 51 (juni 2015). Zie: http://issuu.com/chepos_cheops/docs/chepos_51

Artikel uit Chepos 51

Artikel uit Chepos 51